Veiligheidsvoorschriften

Elk lid van de Belgische Vrije Vlucht Federatie verbindt er zich toe volgende voorschriften na te leven

  1. Elk BVVF-lid, die vliegt op een vrije vlucht-vleugel in Belgià« of het buitenland moet degelijk verzekerd zijn voor zijn burgerlijke aansprakelijkheid voor de beoefende sport.
  2. Elk BVVF-lid moet de in het land waarin hij vliegt de geldende luchtvaartreglementering naleven. Bij gebrek aan specifieke vrije vlucht-reglementering, moet hij de luchtvaartregels van toepassing op zweefvliegtuigen naleven.
  3. Elk BVVF-lid dient de reglementen na te leven genoteerd in het BVVF-tijdschrift of op de infoborden die zich bevinden op vliegplaatsen beheerd door de BVVF of door elke andere door de BVVF erkende vrije vlucht-vereniging (buitenlandse vrije vlucht-federaties en hun clubs), alsook de mondelinge instrukties van de verantwoordelijken van deze verenigingen.
  4. De beoefening van vrije vlucht is verboden in geval van slechte weersomstandigheden, ttz:
    – als er geen VFR-condities zijn (condities volgens de regels van op zicht vliegen),
    – als er aan de startplaats op het moment van de start een wind staat die geen veilige start toelaat,
    – in of in de onmiddellijke nabijheid van onweders of cumulonimbus-wolken.
  5. Ieder BVVF-lid dient de voor zweefvliegtuigen geldende voorrangsregels te respekteren. Tussen vrije vlucht-beoefenaars onderling, en dit ook in thermiek, heeft de vleugel die zich het laagste bevindt steeds voorrang op de vleugels die zich hoger bevinden dan hem. Parapente, delta en elke ander zweefvliegtuig worden als gelijk beschouwd wat betreft de onderlinge voorrang.
  6. De starts moeten gebeuren op plaatsen die daarvoor geschikt zijn, ttz:
    – zonder obstakels die de start of een verdere glijvlucht (zonder wind noch dynamisch of thermisch effekt) onmogelijk zouden maken,
    – met mogelijkheid tot normale landing na glijvlucht (zonder wind of dynamisch effekt).
  7. Iedere vlucht dient voorafgegaan te worden door een pre-flight check van het toestel om na te gaan of het toestel veilig kan vliegen.
  8. Ieder BVVF-lid moet de voorschriften van de konstrukteur van het toestel waarop hij vliegt naleven, ook voor eventuele reparaties, en mag geen belangrijke wijzigingen aanbrengen aan het toestel zonder het schriftelijk akkoord van de konstrukteur. Dit slaat niet op de door de konstrukteur voorziene normale trimmingen.
  9. Na elk ongeval of vluchtincident dat het toestel belangrijk belast heeft, dient de eigenaar ervan het toestel totaal te controleren op eventuele schade.
  10. Ieder BVVF-lid moet er zich van vergewissen dat hij in goede fysische en psychische gezondheid verkeert alvorens te starten, ttz:
    – niet onder invloed zijn van om het even welke substantie zodat het vermogen om de sport te beoefenen belangrijk vermindert (geneesmiddelen, alcohol, drugs, … ),
    – zich niet in een medische toestand bevinden die zijn leven en dat van anderen in gevaar kan brengen bij het beoefenen van de vrije vlucht (hartkwalen, epilepsie, … ),
    – in een fysische en psychische staat verkeren die een normale beoefening van de sport toelaat (extreme vermoeidheid, ziekte, … ).
  11. Voor het vliegen zal ieder BVVF-lid zich naar behoren aankleden om zich te beschermen tegen een eventuele val, onder andere:
    – is het dragen van een voor de vrije vlucht geschikte helm in goede staat, verplicht,
    – ieder BVVF-lid dient voor de vrije vlucht geschikt schoeisel te dragen, t.t.z. sportschoenen of wandelschoenen.
  12. Ieder BVVF-lid dat met een deltavleugel vliegt boven 100 m/grond in turbulente condities of op een op dat moment druk bevlogen vliegplaats moet uitgerust zijn met een voor deltavliegen voorziene en aan het gewicht van de piloot aangepast noodvalscherm, korrekt geà¯nstalleerd op het harnas en met hoofdlijn verbonden aan de inhaakmusketon. Voor starre vleugels of noodvalscherm met raketlancering mag het noodvalscherm korrekt geà¯nstalleerd worden op en verbonden zijn met het toestel zelf.
  13. Ieder noodvalscherm voor delta, parapente of starre vleugel, dient minstens één keer per jaar correct geplooid te worden volgens de instrukties van de konstrukteur.